Tax-and-Balances-logo-01

Fiscale ontwikkelingen rondom het lenen bij de eigen B.V.

27/11/2023

Momenteel mogen leningen tussen een B.V. en haar aandeelhouder zich op een vergrote belangstelling van de belastingdienst verheugen. Daarom ook wat extra belangstelling van onze zijde met deze korte bijdrage.

Het lenen van geld door een B.V. aan haar DGA (directeur-grootaandeelhouder) vormt geen probleem, maar moet wel onder zakelijke voorwaarden plaatsvinden. Er moet sprake zijn van een zakelijke overeenkomst.

In de leenovereenkomst moeten afspraken zijn vastgelegd, die de B.V. ook met een derde partij in een vergelijkbare situatie zou zijn aangegaan. Met andere woorden: was de B.V. dezelfde lening onder dezelfde voorwaarden ook met een andere vergelijkbare partij aangegaan?

Daarom moet onderdeel van een zakelijke leenovereenkomst zijn dat een “normaal” rentepercentage is afgesproken. Maar ook dat duidelijke afspraken zijn gemaakt over de aflossing van de lening.

In principe is het zelfs van belang dat de B.V. een (eigen) liquiditeitstest uitvoert.

Wanneer je als DGA geld leent van je eigen B.V., mag je zelf het rentepercentage bepalen. Maar de overeengekomen rente moet wel zakelijk zijn. De rente kan hierdoor (meestal) iets lager liggen dan de rente die een bank voor een lening rekent, zodat je als DGA een rentevoordeel behaalt en bespaart op de kosten van de lening.

Over de hoogte van de rente geeft de Belastingdienst zelf de volgende toelichting:

De B.V. moet jaarlijks aan de directeur-aandeelhouder een zakelijke rentevergoeding in rekening brengen. Volgens vaste jurisprudentie is dit de renteopbrengst die de B.V. normaal gesproken ook elders als particuliere belegger kan behalen. Indien u als directeur-aandeelhouder een zelfde kredietwaardigheid zou hebben als een bank, zou kunnen worden uitgegaan van het normale rentetarief op een privé-rekening bij een bank. Dit zal veelal echter niet het geval zijn. Dit betekent dat er nog een passende extra risico-opslag op dit rentetarief in aanmerking moet worden genomen.

Door allerlei renteverhogingen van de ECB is de zogenaamde 12-maands Euribor inmiddels opgelopen van 3,316% (begin 2023) tot 4,040% (november 2023). Omdat de 12-maands Euribor de basis is voor de berekening van de (fiscale) minimale rente van rekening-courant verhoudingen, is hiermee de rente voor DGA’s gestegen naar 5,540% (4,040% + 1,5% risico opslag).

Daar past nog een verdere kanttekening bij. Vaak gebruikt men als argument voor een lening bij de B.V. dat men bij een B.V. kan lenen tegen een lagere rente dan de bancaire rente.

Los van de vraag of dat op grond van de zakelijke voorwaarden mogelijk is, blijkt de invloed van dat lagere rentepercentage in de praktische uitvoering zeer beperkt. Tenminste als het om de lening voor de eigen woninglening in box 1 gaat. Bij een eigenwoninglening is de rente die de DGA aan zijn B.V. betaalt immers als eigenwoningschuld in de belastingaangifte van de DGA fiscaal aftrekbaar.

Om de totale belastingdruk en het fiscale voordeel van een lagere rente te berekenen moet men enerzijds beseffen dat de rente die de B.V. ontvangt eerst met vennootschapsbelasting wordt belast. Vervolgens wordt de netto-winst (die dan na aftrek van die vennootschapsbelasting overblijft) wanneer deze aan de DGA wordt uitgekeerd (als dividend) bij hem in de inkomstenbelastingheffing betrokken (in Box 2).

Door allerlei “jonge” maatregelen blijkt de overheid de maximale fiscale besparing (vanaf 2023) zelfs bij het toptarief van 49,5% te hebben beperkt tot maximaal ongeveer 37%. Dit betekent dat bij de hoge inkomens die tegen 49,5% worden belast desondanks slechts een fiscale aftrekpost voor de rente van de eigenwoninschuld van 37% mogelijk is.

Terwijl de belasting die de DGA in totaal betaalt over één euro aan rente die “door de B.V. stroomt” (heffing met vennootschapsbelasting!) en daarna bij het uitkeren van dividend nogmaals wordt belast (heffing dividend- en inkomstenbelasting!) in bepaalde gevallen beperkt kan blijven tot ongeveer 39% (2023). Namelijk 19% vennootschapsbelasting plus bij uitkering in de vorm van dividend 24,5% inkomstenbelasting in Box 2 (over het netto-bedrag van 81% na vennootschapsbelasting). Dit betekent dat de rente dus enerzijds per saldo tegen 39% wordt belast en anderzijds tegen slechts 37% kan worden afgetrokken.

Met andere woorden: een lagere rente blijkt dan een voordeel van slechts 2%-punten op te leveren (37% tegenover 39%). En dus: bij een leensom van bijvoorbeeld € 250.000 levert 1% minder rente een voordeel op van € 50 op jaarbasis (2% x 1% x € 250.000). Een schijnvoordeeltje dus. Terwijl de kans op een discussie met de fiscus bij een te lage rente groter is dan met gebruikmaking van de dividendvariant en een reële rente. De kosten van de adviseur bij een discussie laten we dan nog buiten beschouwing.

Dat ligt anders bij de niet-eigenwoninglening. Zeg maar de lening in Box 3. Gesteld dat de DGA in zijn aangifte binnen Box 3 voldoende vermogen heeft binnen de categorie “overige bezittingen” ten opzichte van de lening in Box 3, dan levert dat een belastingbesparing op. Maar die besparing is niet afhankelijk van het rentepercentage op de schuld, omdat in box 3 (voorlopig) de waarde van de bezittingen wordt belast en niet het werkelijk behaalde rendement. In dat geval kan een lagere rente wel voordeliger zijn. Een 1% lagere rente over een Box 3-lening van € 250.000 scheelt dan circa 39% x 1% x € 250.000, ofwel bijna € 1.000 op jaarbasis. Aangezien immers tegen de belasting van 39% geen aftrekpost staat (zoals 37% renteaftrek bij de eigen woning), wordt 39% van het gehele bedrag aan rente dat door de lagere rente minder hoeft te worden betaald bespaard.

Maar uiteraard is in dat geval wel van belang dat de overeengekomen rentebetalingen op een schuld minder bedragen dan het rendement dat de DGA op zijn Box-3-bezit behaalt.

Het betekent namelijk (maar die conclusie trok u zelf ook al) dat je al een behoorlijk rendement moet maken op een met een lening aangeschafte bezitting (bijvoorbeeld een effectenportefeuille) voordat je met dat bezit na aftrek van de rentelasten per saldo nog een positief rendement behaalt.

Verder is het mogelijk dat de B.V. een aflossingsvrije lening verstrekt. In dit geval gelden er wel aanvullende voorwaarden voor deze lening, omdat de B.V. meer risico loopt dan bij een lening waarop wel afgelost wordt.

Bij een aflossingsvrije lening dient de rente hoger te zijn dan de gemiddelde rente van niet-aflossingsvrije leningen bij banken.

Ook zal de waarde van het onderpand dat aan de B.V. ter beschikking is gesteld hoger moeten zijn dan bij niet-aflossingsvrije leningen.

Binnen het zakelijke kader mag je in principe zoveel geld lenen van de B.V. als jezelf wilt, maar de hoogte van de lening is wel bepalend voor de hoeveelheid belasting die verschuldigd is. Dit jaar is namelijk de Wet excessief lenen van de eigen vennootschap in werking getreden.

Leent de B.V. meer dan € 700.000 aan haar DGA, dan wordt sinds dit jaar het bedrag daarboven bij de DGA in Box 2 belast als inkomsten uit aanmerkelijk belang.

Over alles wat de DGA dan meer van zijn B.V. leent, betaalt die DGA dan 26,9% inkomstenbelasting, tenzij sprake is van een lening voor de financiering van de eigen woning. Voor een eigen-woninglening geldt een uitzondering op het bedrag van € 700.000.

Wanneer de lening niet als zakelijk wordt aangemerkt, dan is (dus) sprake van onzakelijk handelen tussen de B.V. en haar DGA. En dat kan vervelende en niet beoogde gevolgen hebben voor de belastingheffing. En voor u.

Auteurs: mr. J. Amkreutz en mr. J. Coerver

Deel dit artikel:

Solliciteren

Fiscale ontwikkelingen rondom het lenen bij de eigen B.V.